Industrie - Kennis - Innovatie - Samenleving - Netwerken

De Nederlandse economie kan een structurele impuls krijgen door versterking van de positie van de industrie.
Door het fors verminderen van o.a. de vennootschapsbelasting en andere belastingen en heffingen voor het bedrijfsleven, ontstaat ruimte voor investeringen.
Dat geeft een (langdurige) impuls aan onderzoeksactiviteiten, proces- en milieuverbetering en ontwikkeling van een hoogwaardige ICT-infrastructuur. 

De beoogde kenniseconomie krijgt alleen door deze aanpak een goede basis. 
Een kenniseconomie is primair een netwerkeconomie: netwerken van mensen en van instellingen.
Achter deze sociale netwerken functioneren de technische netwerken.

Vermindering van belastingen en heffingen voor ondernemingen heeft een verderstrekkend en langduriger effect dan subsidies voor stimulering van een beperkt aantal technologieën. Deze forse ingreep in verbetering van het (fiscale) ondernemings-klimaat is de beste bijdrage aan de werkgelegenheid in de (maak-)industrie en de research, versterkt de aantrekkelijkheid van het (technisch) beroeps- en wetenschappelijk onderwijs en verbetert onze internationale concurrentiepositie.

Het beleid voor de naoorlogse economische wederopbouw van ons land, heeft zich vanwege onze geografische en infrastructurele mogelijkheden, gericht op de ontwikkeling van drie speerpuntsectoren in het bedrijfsleven:
- de agrarische sector
- de petrochemie
- de transportsector

Decennia later herkennen wij deze drie nu juist als de meest energie-intensieve bedrijfstakken, met dito impact op ons milieu, zowel voor wat betreft de infrastructuur en de natuur, als op de milieu-aspecten lucht-bodem-water.

Tegelijkertijd zijn het juist ook deze sectoren die hun productiviteit tot op zeer hoog niveau ontwikkeld hebben; een niveau waar de rest van de wereld met ontzag (zoniet met afgunst) naar kijkt (en dikwijls alleen het hoofd geboden kan worden door andere loonkosten).

Die productiviteit is in alledrie sectoren tot stand gekomen dankzij de ontwikkeling en inzet van indrukwekkende hoeveelheden kennis.
Bedrijven, researchinstellingen en branche-organisaties in en rond deze bedrijfstakken zijn zich bewust geworden van de waarde van kennis als één van de meer belangrijke productiefactoren. En ook dat de kennisvoorsprong een versterkend element is in de internationale concurrentie-positie.
Ook werd ontdekt dat kennis een op zich zelf verhandelbaar 'product' kan zijn.

Kennis is in de Nederlandse cultuur van de industriële samenleving dikwijls ontwikkeld in collectieve verbanden: met respect voor elkaars concurrentiepositie is onderling veel uitgewisseld en ondersteund. Netwerken van mensen, gedreven door een soort 'samen-sterk'-gevoel, hebben bergen weten te verzetten. Dit heeft het 'calimero-effect' voorkomen; het bereikte resultaat gaf wel ruimte voor het ook gewraakte 'opgeheven vingertje'.

Met de erkenning van kennis als productiefactor, werd ook de basis gelegd voor de ontwikkeling en inzet van kennis voor innovaties van product en proces. 
Innovatie eerst ten behoeve van productontwikkeling, vervolgens als invalshoek voor milieuverbetering en energiebesparing, recent vooral voor procesvernieuwing en nu voor kwaliteitsverbetering en verdergaande productiviteitsverhoging.
Op de wereldmarkt met een groeiend aantal partijen, ook van buiten de traditionele productie-gebieden, is echter steeds minder aanleiding voor collectieve aanpak van kennisontwikkeling.

Buiten de drie speerpuntsectoren (agro, petrochemie en transport), is kennis ook als productie-factor erkent in de 'maak-industrie'. 
Alhoewel Nederland nooit een echt industrieland is geweest, zorgt de maak-industrie nog steeds voor aanzienlijke werkgelegenheid. 
Al decennia is sprake van een sluipende de-industrialisatie in ons land. Onze bedrijfsleven-cultuur kent nu eenmaal al eeuwen een hogere waardering voor 'handel', dan voor 'vervaardiging'. 
De sluiting van onze modern geoutilleerde en efficiënte kolenmijnen versterkte het imago van 'witte-boorden' versus 'blauwe-boorden'. Dat was een slag die samenviel met de reorganisaties in het onderwijs (Mammoetwet t/m 2e-fase) waarin de waardering voor handarbeid en productie (binnen en buiten het onderwijs) verdergaand sterk is afgebroken. 
Niettemin was en is de maak-industrie in ons land nog steeds de grootste motor en financier van research-activiteiten. 

Voor een deel is dat bereikt omdat ons bedrijfsleven van eeuwen her een netwerk-economie is, net zoals onze nationale samenleving een netwerksamenleving is. Een klein land, bedreigd van alle kanten, dus op elkaar aangewezen om te overleven, dwong dit ons tot het gedogen en accepteren van onze verschillen. En tegelijk ook speurend naar hoe wij met elkaar beter kunnen worden van die verschillen: de start van onze oriëntatie op kennis en op handel.

De globale ontwikkelingen van de laatste vijfentwintig jaar brachten met zich mee dat hele bedrijfstakken in de maak-industrie vrijwel zijn verdwenen (bijv. textiel, scheepsbouw). Vanwege hun veerkracht, vooral op basis van kennis, zijn zij op beperktere schaal een rol in de wereld blijven spelen, door de omschakeling naar specialisaties, waarin een plaats is voor hoge toegevoegde waarde (kennis in bijv. weer textiel en scheepvaart).

In het overheidsbeleid is het roer omgegooid: Nederland moet een kenniseconomie worden. Maar kennis is niets. De economie, dus de samenleving, heeft wat aan toepasbare kennis. Dus om kennis waarnaar vraag is.
In een kenniseconomie gaat het om de kennis die nodig is voor het functioneren van de vragers (en dus financiers) van kennis: de industriële bedrijfstakken.
Kennis die gevraagd wordt dient innovatie. Innovatie dient continuïteit, bij kans op continuïteit. En continuïteit vraagt om investeringsruimte: ruimte door marktkansen en ruimte door financiële middelen. 
Als we van Nederland een kenniseconomie willen maken is het dus zeker noodzaak om alles op alles te zetten voor een kennisinfrastructuur, van onderwijsinstellingen via research-instituten en universiteiten tot in de industrie en van bibliotheken tot ICT-oplossingen als breedbandnetwerken en kennismanagementtoepasssingen.
Maar daarnaast is er vooral noodzaak om voor het bedrijfsleven de financiële ruimte voor investeringen te creëren. 
Dat is niet door subsidies, die maar zelden echt de noodzakelijke stimulering zijn voor onderzoek, ontwikkeling, demonstratie, marktintroductie en implementatie van nieuwe technologieëen voor kwaliteits-, proces- en milieuverbetering, energiebesparing en productvernieuwing. Subsidies zijn op de lange termijn bezien een zwakke prikkel voor een korte termijn.
Een samenleving waarin de (maak-)industrie een economisch en maatschappelijk volwaardige en gewaardeerde plaats heeft en de motor is achter kennisontwikkeling en -toepassing, heeft behoefte aan lange termijn zicht op financiële ruimte. 
De beste prikkel daarvoor is verlaging van belastingen voor ondernemingen. 
In de geliberaliseerde markten geeft dàt prikkels en ruimte voor het bedrijfsbeleid en de noodzakelijke investeringsruimte voor onderzoek en kennisontwikkeling.

Dat is de basis voor een kenniseconomie die zijn basis heeft op de netwerkeconomie.
En dat is een markt waarop investeringen voor kennisontwikkeling en kennisoverdracht effectief door een goede kennisinfrastructuur met adequate ICT-voorzieningen en multimediale hulpmiddelen een rol kan spelen in de wereldeconomie.

P.W.Alexander Overdiep

Naar boven
Voor het laatst bijgewerkt op 19 december 2006